Column

Imperfect afscheid

In veel zalen, zoals in kerken, was niks te doen, in coronatijd, dus was daar ook alle tijd. En het gegeven dat bij een begrafenisdienst maximaal dertig personen aanwezig mochten zijn, besloten we van deze combinatie goed gebruik te maken. Wij, broers, zussen en ik. Zes stuks. We maakten een soort huiskamer in de kerk, de dertig stoelen meters uit elkaar. Rondom de kist met onze overleden moeder. Kan een afscheidsdienst niet groots, dan intiem.


Onze moeder hield van knutselen met textiel, maakte o.a. kleden met patchwork en veel kleding. Voor zichzelf en anderen mensen. Ach, het meeste was gebruikt, wat vuil of vaal, trouwjurken werden uit de verkleedkisten gevist en weer gewassen en in volle rijkdom opgehangen. Wat spulletjes van thuis erbij en zo kreeg die grote kerkzaal de sfeer van onze moeder. Warm, kleurrijk, wat rommelig, niet perfect, juist niet perfect, maar tekenen van een bedrijvig menselijk leven.


We waren onder elkaar. Als familie. Zoals vroeger in het ouderlijk huis. Toen we nog heel jong waren. Maar inmiddels milder geworden. Naar elkaar. Met meer begrip en waardering. Groot voordeel van ouder worden.


De gesproken en gezongen verzamelingen van diverse herinneringen aan haar, onze oermoeder, waren verschillend, zoals haar nakomelingen ook allemaal verschillend zijn.


Mijn jongste zus, een kleintje, speelde piano zoals ik haar van decennia geleden kende. Met fouten. En snel. Haar hoofd kwam telkens even geinig boven de hoge piano uit. Met een grijns.


De allerjongste broer van onze moeder vertelde dat zij hem regelmatig uit de penarie had gehaald en zijn slechte rapporten ondertekenden, zodat mijn opa zijn cijfers voor gedrag en vlijt niet zag. Zij was de oudste van zeven kinderen, mijn oma was behoorlijk gehandicapt, mijn opa doordeweeks altijd op pad, en zo werd zij een zorgende zus met vele moeder-taken. Jaren dertig en veertig. Vorige eeuw.


Omdat het met de uitstoot van eventuele virussen niet handig was om samen te zingen, deden we dat om de beurt. Voor de microfoon. In die grote kerk. Zo galmde ik een echt Jordanees lied, favoriet van moeder, door de hele ruimte heen. Grotendeels vals. Uit de bocht in toon. We lachten.


Mijn oudste broer had met zijn gezin een lied opgenomen in een filmpje. Er werd, per ongeluk een tussentijdse proefversie getoond. Hij in paniek. We namen alle tijd om het juiste filmpje te zoeken en te tonen. Was mooi. En broer weer tevreden.


De pauzes in de verhalen van het nageslacht, die soms met even gebroken en snikkende stemmen gesproken werden, waren een zaligheid. We hadden ons tijd gegund. En het hoefde niet perfect.


Ik had het niet anders gewild. Soms kan een beperking een zegen zijn.


Ellenoor Piersma